Nederland is een waterland. Toch krijgen bedrijven steeds vaker te maken met dreigende drinkwatertekorten, oproepen tot waterbesparing en strengere eisen aan lozingen. Ook voor de oppervlaktebehandelende industrie wordt waterbeschikbaarheid daarmee een steeds belangrijker strategisch onderwerp.
Hoe kan een land met zoveel rivieren, kanalen, meren en sloten toch te maken krijgen met waterschaarste? Het antwoord ligt niet alleen in de totale hoeveelheid water, maar vooral in de kwaliteit, beschikbaarheid, timing en verdeling ervan.
Oppervlaktewater als bron voor drinkwater
In Nederland wordt ongeveer 60 procent van het drinkwater geproduceerd uit grondwater en 40 procent uit oppervlaktewater. Hoewel oppervlaktewater dus al een belangrijke bron is, kan het niet zonder meer als vervanging voor grondwater worden gebruikt.
Grondwater heeft doorgaans een natuurlijke zuivering ondergaan doordat het door verschillende bodemlagen is gezakt. Oppervlaktewater staat veel directer bloot aan verontreinigingen vanuit onder meer landbouw, huishoudens, industrie, riooloverstorten en buitenlandse stroomgebieden. Het kan bijvoorbeeld medicijnresten, gewasbeschermingsmiddelen, PFAS, metalen en andere microverontreinigingen bevatten.
Daarnaast kan de samenstelling van oppervlaktewater sterk wisselen. Bij lage rivierafvoeren kunnen concentraties van stoffen oplopen, terwijl hevige regen juist piekbelastingen door afspoeling en riooloverstorten kan veroorzaken. Bij calamiteiten kan een innamepunt tijdelijk worden gesloten.
Meer oppervlaktewater gebruiken voor de drinkwatervoorziening is technisch mogelijk, maar vraagt om intensievere zuivering, monitoring, buffers, energie, ruimte en een goede bescherming van de bronnen. De belangrijkste vraag is daarom niet alleen óf oppervlaktewater kan worden gezuiverd, maar ook hoe dit betaalbaar en betrouwbaar kan gebeuren.
Meer water vasthouden
Het Nederlandse watersysteem is eeuwenlang ingericht op veiligheid, ontwatering en het snel afvoeren van overtollig water. In een laaggelegen delta was dat noodzakelijk om overstromingen, wateroverlast en te natte landbouwgrond te voorkomen.
Door klimaatverandering verandert de opgave. Droge lente- en zomerperioden worden droger, terwijl herfst- en winterperioden juist natter kunnen worden. Gemiddeld kan er over een jaar voldoende neerslag vallen, maar dat betekent niet dat het water beschikbaar is op het moment dat landbouw, natuur, drinkwaterbedrijven en industrie het nodig hebben. Bovendien zorgen hogere temperaturen voor meer verdamping.
Daarom wordt steeds meer gewerkt aan hogere waterpeilen, infiltratie, waterberging, herstel van de sponswerking van de bodem en maatregelen tegen verzilting. Water vasthouden is echter geen eenvoudige oplossing. Hogere waterpeilen kunnen gevolgen hebben voor landbouw, bebouwing, funderingen, infrastructuur en natuur. Ook moet het water dat wordt vastgehouden van voldoende kwaliteit zijn. Vervuild water bufferen kan later juist nieuwe problemen veroorzaken.
Water vasthouden vraagt daarom om gebiedsgericht maatwerk en samenwerking tussen overheden, waterschappen, bedrijven, landbouw en natuurorganisaties.
Waterbeschikbaarheid als bedrijfsrisico
Voor de oppervlaktebehandelende industrie is water onmisbaar. Het wordt onder meer gebruikt voor spoelen, reinigen, koelen, badopbouw en chemische voorbehandeling. Daarnaast zijn bedrijven afhankelijk van betrouwbare mogelijkheden om afvalwater te lozen.
Een beperkte beschikbaarheid van drinkwater, grondwater of oppervlaktewater kan daardoor rechtstreeks invloed hebben op de bedrijfsvoering. Waterbesparing en hergebruik worden niet alleen belangrijk vanuit duurzaamheidsoogpunt, maar ook voor de bedrijfscontinuïteit.
Bedrijven kunnen onder meer kijken naar cascadespoelen, gesloten spoelsystemen, hergebruik van proceswater, terugwinning van waardevolle stoffen, verlenging van de levensduur van baden en verdere optimalisatie van spoelprocessen.
Een genuanceerd debat over waterkwaliteit
In het publieke debat wordt regelmatig gesproken over ‘de industrie’ als belangrijke veroorzaker van waterverontreiniging. Dat algemene beeld doet echter onvoldoende recht aan de grote verschillen tussen industriële sectoren en bedrijven.
Nederland ligt bovendien aan het einde van de internationale stroomgebieden van onder meer de Rijn, Maas, Schelde en Eems. Daardoor komen ook stoffen die bovenstrooms in andere landen in het water terechtkomen uiteindelijk in Nederland aan. Internationale afspraken en samenwerking zijn dan ook essentieel voor het verbeteren van de waterkwaliteit.
Dat neemt niet weg dat ook Nederlandse bronnen bijdragen aan de belasting van het oppervlakte- en grondwater. Waterkwaliteit is het resultaat van een combinatie van landbouw, huishoudens, rioolwaterzuiveringen, industrie, verkeer, historische bodemverontreinigingen, diffuse emissies en buitenlandse aanvoer. Een eerlijke beoordeling vraagt daarom om onderscheid naar bron, stof, emissieroute, hoeveelheid en effect.
Niet iedere industriële lozing is hetzelfde
Ook binnen de industrie bestaan grote verschillen. Een chemiecomplex, raffinaderij, galvaniseerbedrijf, anodiseerbedrijf, poedercoater of natlakvoorbehandelaar heeft een eigen proces, emissieprofiel en lozingsroute.
Veel oppervlaktebehandelende bedrijven werken met interne waterzuivering, metaalverwijdering, badbeheer, spoelwateroptimalisatie, metingen en rapportages. Afvalwater wordt vaak indirect via het riool geloosd, meestal na een eigen voorbehandeling. Voor rechtstreekse lozingen op oppervlaktewater gelden specifieke eisen en is doorgaans een vergunning nodig.
Daarom is het te algemeen om de oppervlaktebehandelende industrie zonder onderscheid als vervuilend weg te zetten. Tegelijkertijd betekent voldoen aan een vergunning niet dat verdere verbetering niet nodig is. Regelgeving wordt aangescherpt, nieuwe probleemstoffen komen in beeld en de Kaderrichtlijn Water stelt hoge eisen aan de ecologische en chemische kwaliteit van het watersysteem.
Van verdedigen naar aantonen
Voor bedrijven ligt er een kans om met gegevens zichtbaar te maken wat zij doen om watergebruik en emissies te beperken. Denk aan informatie over gebruikte en uitgefaseerde stoffen, ontstane waterstromen, zuiveringstechnieken, gemeten parameters en behaalde resultaten.
Uitspraken dat gezuiverd bedrijfsafvalwater ‘schoner is dan kraanwater’ kunnen daarbij beter worden vermeden. Drinkwater wordt beoordeeld op geschiktheid voor menselijke consumptie, terwijl afvalwater wordt getoetst aan vergunde parameters, concentraties, vrachten en effecten op het riool of oppervlaktewater. Het zijn dus verschillende toetsingskaders.
Een technisch nauwkeurigere formulering is dat veel ION-leden hun afvalwater vergaand zuiveren en voor de relevante parameters aan strenge lozingseisen voldoen.
Nederland heeft veel water, maar niet automatisch voldoende schoon zoetwater op de juiste plaats en het juiste moment. Schoon water is bovendien niet de verantwoordelijkheid van één sector. Het vraagt om samenwerking en een feitelijke bronaanpak. De oppervlaktebehandelende industrie kan haar positie in dit debat versterken door aantoonbaar te maken wat zij voorkomt, welke verbeteringen zij doorvoert en welke resultaten daarmee worden bereikt.
Bronnen
RIVM, Informatiepunt Leefomgeving, Rijksoverheid, KNMI, Rijkswaterstaat, Compendium voor de Leefomgeving en Waterkwaliteitsportaal.